Dingen van vroeger, denkend aan kerst

Dingen van vroeger, denkend aan kerst...

 

Denkend aan de dingen van vroeger betekent voor mij een teruglopen door de tijd.
Welke tijd? De tijd bepaald door algemene geschiedenis of de tijd bepaald door persoonlijke geschiedenis?
Mijn persoonlijke geschiedenis is mij het meest vertrouwd en in een licht weemoedige stemming verplaats ik me door de tijd naar het kerstfeest van vroeger thuis.
Daags voor kerst hangt er in huis een sfeer van ingetogen redderen. Lege bakjes en schalen worden door mijn vader afgegeven bij de bloemist, om later gevuld met hyacinten of tulpjes, rendiermos, dennentakjes, rood met wit gestipte paddenstoelen en kleine zilverkleurige kerstballen door hem weer opgehaald te worden. Ik ruik de geur van wild. Er ligt een gevilde haas op het aanrecht die aan de handen van mijn moeder niet meer kan ontkomen en door haar verwerkt zal worden tot hazenpeper, geen hap ervan gaat door míjn keel.
Met de kalkoen ligt het anders, de droogste stukjes vlees van dit gevogelte heb ik op voorhand al gereserveerd als het deel dat ik met enige moeite nog wel weggewerkt krijg.
Het bereiden van het vlees laat ik vol afschuw aan mijn moeder, mijn hulp mag ze vragen bij het opmaken van de schotels groenten, fruit en (kastanje)puree. Perfect in balans voel ik me bij het helpen maken van het dessert, de befaamde Spönskespudding (ook wel Hemelse Modder genoemd) en een zelfgemaakt koffie roomijs, waarvoor wij de naam cappuccino nog niet hebben uitgevonden. De chocolade- en schuim kerstkransjes liggen verpakt in cellofaanzakjes, klaar om in de boom gehangen te worden.
De boom waar mijn moeder, mijn broers en ik te lang naar onze zin op moeten wachten wordt later door mijn vader gehaald. Bij een niet katholiek vriendinnetje is de boom veel eerder al gezet en opgetuigd. Wij hebben echter onze eigen traditie waaraan niet te tornen valt en pas daags voor kerst wordt de boom door mijn vader de kamer in gesleept en vervolgens door mijn moeder met smaak opgetuigd. Of het komt doordat ik enig meisje ben in de kinderschare die verder bestaat uit vijf jongens, weet ik niet. Een feit is dat aan mij de eer wordt gelaten om in de versierde boom tussen alle groene, rode en zilveren ballen, de kaarsjes en het engelenhaar ruimte te zoeken voor de eetbare kerstkransjes. De kerststal vindt beschutting onder de laagste takken van de boom en raakt vol van de os en de ezel en de kameel. Ook de herders met hun schaapjes en de herdershond nemen hun vertrouwde plaatsen in.
Caspar, Melchior en Balthazar, de drie koningen, worden neergezet nog voor Maria, Jozef en het kindje Jezus in het kribbetje. Tot slot wordt aan de voorzijde van het stalletje, in de nok, de engel gehangen die vanaf dit punt traditiegetrouw tot 6 januari over ons zal waken.
De toon is gezet, de sfeer bepaald en kerstliedjes worden vol overgave gezongen door mijn moeder, mijn broers en mijzelf. Mijn vader ziet het als zijn taak om het overzicht te houden, op de door hem gewenste en gebruikelijke afstand.

Hevige onrust overvalt mij als ik in pyjama gehuld op de gebruikelijke kindertijd naar bed wordt gestuurd met de belofte om half elf door mijn moeder gewekt te worden en ik dan mee mag naar de nachtmis.
Roept zij op tijd, word ik wel wakker, krijg ik het koud, heb ik honger omdat ik ‘nuchter’ ter communie moet gaan , kortom grote zorgen van een jong meisje. Ruim voor twaalf loopt de kerk vol met warm aangeklede mensen, onder hen bevinden zich veel wakker gemaakte kinderen.
Het indrukwekkende deel van de nachtmis bestaat voor mij uit het gezamenlijk zingen van kerstliedjes.
Ik voel me geraakt door een ongekend gevoel van saamhorigheid terwijl ik ril van opwinding en door mijn behoefte aan slaap.
Na afloop van de mis blijven de mensen buiten op het kerkplein in groepjes staan en wensen elkaar ‘Zalig Kerstfeest’.
Ik wil nu wel graag naar huis, want daar begint voor mij het echte feest, het sprookje voor één nacht! De standaard kamerverlichting is uitgelaten en in plaats daarvan branden de kaarsjes in de kerstboom en de kaarsjes op tafel. Dit nachtelijke en huiselijke tafereel betekent voor mij het hoogtepunt van het hele kerstgebeuren. De eetkamertafel is gedekt met het dunste porseleinen servies dat ik ooit gezien heb, een erfenis van opa en oma. Het servies wordt slechts een keer per jaar door mijn moeder tevoorschijn gehaald. Voor de bordjes van de kinderen staat een rood met wit gestipt porseleinen paddenstoeltje, getooid met een wit minikaarsje. Het kaarslicht flakkert en beschijnt het porselein, waardoor het transparant lijkt. Koffie en thee zijn gezet en de door mijn moeder gebakken tulband is bestrooid met poedersuiker en aangekleed met rood lint, waaronder nog enkele hulstblaadjes zijn geschoven. Op onze plaatsen gezeten draaien onze kindergezichtjes naar de deuropening wanneer mijn moeder binnenkomt met een reuzenschaal vol warme Brabantse worstenbroodjes. Zonder gekibbel zitten wij in een ongekend vredige stilte aan ons kerstontbijt in het diepst van de nacht.
Deze blijde verwondering, over het door kaarslicht beschenen dunne porseleinen servies behoort voor mij tot de dingen van vroeger thuis en staat symbool voor de viering van het kerstfeest.
Het servies is na het overlijden van mijn ouders naar mijn oudste broer gegaan, de zes rood met wit gestipte porseleinen paddenstoeltjes hebben bij mij een plaatsje gevonden.

Maak jouw eigen website met JouwWeb