
Een van de langst overgebleven Minderbroeders Kapucijnen
– van de orde van de franciscanen -
Juli, 2007
Nog geen week geleden kwam er voor mij op hyves een nieuw contact tot stand. Het is de gedeelde bewondering voor Godfried Bomans die de basis van deze ontmoeting vormt.
Vandaag viel in een krabbel van mijn nieuwe ‘hyves vriend’ het woord ‘acoliet’ en hierdoor kwam een schat aan herinneringen boven drijven in mijn verder kerkloos bestaan.
De herinnering betreft mijn Heeroom, de enige nog in leven zijnde broer van mijn in 1990 gestorven vader. Mijn vader had naast deze broer nog vier broers en een zus. Binnen de gezinnen van deze broers en zus werd zover als mijn herinnering gaat met gepaste eerbied gesproken over Heeroom, zo niet bij mij thuis. Wij spraken altijd over oom Huub omdat mijn vader ons tot voorbeeld was, zijn wil de enig geldende wet bleek en hij zijn broer niet zag als de gewijde priester, maar gewoon als zijn broer Huub.
Als kind logeerde ik met enige regelmaat bij mijn nichtjes en neefje in Vierlingsbeek en waar door hen met diep ontzag het woord Heeroom werd uitgesproken, wierp ik met wat grootstedelijke nonchalance de naam Huub in de strijd, me niet van ernstig kwaad bewust maar niettemin voelend dat mijn woordkeus op weerstand stuitte.
Ondanks dit ogenschijnlijke verschil aan eerbiediging voelde ik een sterke verbondenheid met deze oom Huub, waarvoor wij als kinderen sinds jaar en dag de ‘zilveren’ melkflessluitingen spaarden waarvan de opbrengst ten goede zou komen aan ‘de arme negerkindertjes’, een woord dat anno 2021 niet meer uitgesproken mag worden. Blind geloofde ik in het nut van dit soort ‘goede’ daden. Elke zes weken ontvingen mijn ouders een brief van onze oom met daarin een stichtelijk woordje voor ieder van ons.
Mijn moeder schreef terug en verplichtte ook de zes kinderen in het gezin tot het schrijven van een paar regels. Mijn vader volstond met het posten van de brief, samen met wat pakjes zware shag. Hij had liever wat sigaren gezonden naar zijn broer, maar oom Huub bleef trouw aan zijn zware shag. Ook als hij met verlof kwam naar Nederland en tijdens zijn verblijf bij ons de kist met een verscheidenheid aan dure sigaren voorgehouden kreeg, gaf hij de voorkeur aan zijn eigen zware shag. Vanuit Indonesië vond zijn verlof één keer in de paar jaar plaats en behalve in zijn geboortedorp Vierlingsbeek en het Kapucijnenklooster in Den Bosch, logeerde hij in ieder geval ook een aantal dagen in ons gezin.
Hoewel ik in mijn jonge jaren vaak gewenst heb om net als mijn vijf broers als jongetje door het leven te mogen gaan, vanwege de grotere hoeveelheid aan privileges, was het gedurende de verlofperiode van mijn oom Huub dat ik absoluut tevreden was met mijn meisjesuitvoering.
Oom Huub stond erop om iedere ochtend om zes of zeven uur in een kerkje of kapel de mis op te dragen en daarbij wenste hij vergezeld te gaan van één van mijn vijf broers. Voor de oudste was dit geen probleem, het trotse gevoel om als misdienaar zijn oom te mogen bijstaan was van zijn gezicht af te lezen. Hij wist zich belangrijk én ervaren met zijn staat van dienst als misdienaar door de week en acoliet op zondag in de Gerardus Majella kerk in Oss.
De rest, jonger nog, voelde wat bezwaren tegen het opstaan op dit vroege tijdstip en toch was er ook voor hen geen ontkomen aan. Voor het eerst in mijn leven vond ik het geen punt om buiten het jongensleven gehouden te worden en mijn gebrek aan betrokkenheid heb ik later op de middelbare school ruimschoots goed gemaakt door acties op touw te zetten voor de hongerige kinderen in Biafra en rond kerstmis actief deel te nemen aan de bezinningsdagen van Pax Christie. Dat was toen ik nog niet wist van strijkstokken en wat daar zoal aan blijft hangen. Wij werden ouder, gingen uit huis en ook de kerk verdween grotendeels uit mijn leven. Met dit alles verschoof ook het bestaan van oom Huub meer naar de achtergrond. Ieder jaar met zijn verjaardag en met Kerstmis schreef ik hem trouw een kaartje en ieder jaar kreeg ik een steeds onleesbaarder wordend handgeschreven regeltje terug met aan het eind altijd weer zijn geschreven zegen.
Tot hij een paar jaar geleden, voorgoed terug in Nederland, liet weten niet meer op enig schrijven te kunnen reageren vanwege zijn hard achteruithollende zicht. Het contact dreigde nu echt verloren te gaan omdat ook bellen niet langer tot de mogelijkheden behoorde gezien zijn slechthorendheid, niet verwonderlijk met een leeftijd van ruim vierennegentig jaar.
Mijn broer P bood begin vorig jaar onverwacht uitkomst. Hij wilde graag een dagje met mij uit en stelde voor om eens naar het klooster in Tilburg te rijden, waar de laatste Nederlandse Minderbroeders Kapucijnen gehuisvest zijn, onder hen ook onze oom Huub.
Ik was niet eerder hier geweest, mijn vroegere kloosterbezoek was beperkt gebleven tot het klooster der Kapucijnen in Den Bosch waar de broer van mijn vader voorheen wel verbleef en waar mijn ouders ooit hun vijfentwintig jarig huwelijk in een dienst bevestigd zagen.
Het was een warm weerzien met deze kleine oude maar sterke oom, zonder zijn vertrouwde lange baard en zonder zijn bruine pij met kralenkoord en sandalen. Ook hij heeft hij zich al dan niet vrijwillig aangepast aan de Nederlandse samenleving en is hij drager geworden van een neutraal grijs pak met slechts een bescheiden kruisje op een van de revers gespeld en zijn voeten in grijze sokken en degelijke zwarte schoenen gestoken.
Het meest ontroerende moment tijdens onze ontmoeting was toen hij mij vanuit een niet aflatende bezorgdheid over mijn geestelijk welzijn zijn laatste eigenhandig gemaakte rozenkrans aanbood. Als ik deze tenminste wilde accepteren en hij mij met dit gebaar niet in verlegenheid bracht, zo vroeg hij... Ik accepteerde de rozenkrans waarop hij er meteen zijn zegen aan gaf en geloof het of niet, ik voelde me voor een moment wezenlijk gezien door deze bijna langst overgebleven Minderbroeder Kapucijn.
Bij het afscheid bedankte hij mij omdat ik hem in mijn volwassen leven in iedere brief met de naam Pater Beatus heb aangesproken. Hij vond dit leuk en bijzonder, daar geen enkel familielid mij hierin ooit voorgegaan is. Maar misschien ben ik ook wel het enige familielid dat een abonnement heeft op “Kap en koord”, het nieuwsblaadje van de Minderbroeders Kapucijnen en hierin is het dat ik hem heb leren kennen als pater Beatus, een gedreven missionaris in Indonesië, Borneo. De naam Heeroom waardig.
Maak jouw eigen website met JouwWeb